Sprietzeil versus logger voor kleine boten | Oar and Sail
Nederlands Nederlands
Deutsch Deutsch
Kleiwerd 91
9746CV Groningen
06 44 42 47 02

Sprietzeil versus logger voor kleine boten

20 jaar geleden keek ik naar een kleine boot die de haven vam Douarnenez, in Bretagne, naderde onder een enkel sprietzeil. Voor de havenhoofden liet de schipper zijn roer los en liep naar de mast. Hij nam de spriet eruit, sloeg het zeil om de mast en bond het vast met de schoot. Hij legde de riemen in de dollen en roeide naar binnen.

Veel raidboten worden met spriet- of loggerzeilen getuigd, omdat ze zo simpel zijn, een minimum aan blokken en lijnen nodig hebben, geen verstaging en korte masten. Een spriettuig heeft het voordeel dat men bij een gegeven mastlengte het meeste zeil kan voeren en het is snelst op te bergen. Het moet daarvoor zonder latten worden uitgevoerd, en liefst aan de masttop worden vastgeknoopt om mastlengte optimaal te benutten. Het deel dat boven de mast uitsteekt heeft geen last van wervelingen en is dus effectiever dan het deel eronder. Wanneer het belangrijk is snel het tuig eraf te halen om te gaan roeien of bij een brug is het onovertroffen: Doe als mijn schipper in Douarnenez en leg de bundel in de boot. Klaar.

Het loggertuig daarentegen wordt gestreken en het zeil wordt evenwijdig aan de giek opgedoekt. Dus worden de val, de neer houder en de schoot losgemaakt en het vormt niet automatisch een bundel zoals het spriettuig. Het zij er twee en de verschillende lijnen worden makkelijk spagetti. Het vraagt iets meer organisatievermogen in de boot.

Voor een traditioneel uiterlijk wordt het met staande banen gesneden, bij moderne ontwerpen met brede banen en bij replica’s of oude boten met smalle. Het kan ook worden voorzien van zeillatten waardoor het zeil een betere vorm krijgt, en, als het achterlijk iets wordt uitgebouwd, het het elliptische ideaal veel dichter benadert. Bovendien kan het zeil beter “twisten”. Zo’n zeil kan dan het beste crosscut worden gesneden om de eigenschappen van het weefsel beter te benutten. Ook zal het zijn vorm langer bewaren omdat de krachten evenwijdig aan het achterlijk nu over een bredere strook doek verdeeld worden. Uiteraard kan ook het spriettuig met latten worden uitgevoerd, maar dan is het niet meer snel op te bergen.

De meest gebruikte loggertuigen zijn het standing lug, waarbij de halshoek tot de mast loopt, al dan niet met giek, en het balanced lug waarbij de giek net als de ra voorbij de mast steekt. Hierbij is altijd een neerhouder nodig, omdat anders de “yard” naar beneden wijst.

Bij het loggertuig is altijd een “goede”en een “slechte”kant omdat de mast op een koers tegen het zeil drukt, maar in de praktijk is dit niet erg storend. In theorie is het loggertuig met het zeil aan de lijkant en gedeeltelijk voor de mast het meest effectieve zeil, en bij een lange slag is het de moeite waard het aan de lijkant te zetten. Omdat dan de mast de windstroom in het zeil nauwelijks verstoort is het waarschijnlijk het meest loefwaardige tuig dat mogelijk is.

Nog steeds denken mensen dat een torentuig het beste is voor aandewinds werk. Het onderzoek van Marchaj dat hij behandeld in Sail theory and practice(?) toont aan dat dit niet in zijn algemeenheid klopt. Van meer belang zijn de lengte/breedte verhouding, de aspect ratio zo men wil en bovendien is de scherpe driehoek die torentuigen altijd vertonen aerodynamisch niet effectief. Ik denk dat het moderne squarehead grootzeil dat sinds bijna 20 jaar nu bij moderne boten in gebruik komt dit staaft.

Bij ongestaagde masten past geen fok omdat het voorlijk niet strak te houden is. Wil men dit per se, dan is een relatief dikke mast nodig en een kleine fok en daarna verstaging.

Al gauw gaan zo de prettige eigenschappen van het logger- en spriettuig verloren. Wie eenmaal met ongestaagde mast heeft gevaren zal niet snel meer teruggaan naar gestaagd. Wil men per se een grootzeil met fok, dan is een gaffelzeil met gestaagde mast een betere oplossing.

De punter op de foto heeft een relatief kleine fok en een dikke mast.Gelukkig wordt die “opgelopen”, door eerst de mastvoet op zijn plek te zetten en dan de mast naar omhoog te duwen tot hij in een uitsparing valt waarna de grendel erop gaat. Een rond gat in een doft lijkt leuk maar wie een keer in een niet al te stabiele boot een mast van meer dan 4 meter erin heeft moeten steken zal de punteroplossing waarderen.

Vaak zie je een plooi bij zowel logger als spriettuig van schoothoek naar masttop lopen, waardoor het voorstuwend vermogen sterk verminded wordt. Bij het spriettuig is meestal de spriet aan het zakken omdat de strop om de mast naar beneden kan glijden: Een manilla strop die nu en dan nat gemaakt wordt is een oplossing en bij de logger een effectieve neerhouder. Desnoods een met vertraging. Dit betekent dat op het voorlijk bij de logger al gauw grote krachten komen, te vergelijken met die van een vliegende kluiver waar dan een staaldraad in het voorlijk wordt verwerkt. Omdat dat niet handig is in een voorlijk moet dat met rekvrij touw worden versterkt.Soms onderschatten zeilmakers die kracht. Ik heb dat zelf in het verleden ook wel gedaan met als resultaat een dure verandering aan het voorlijk, of een aanpassing, een zgn. Jackline, die in de ogen van veel mensen misstaat. Echter is een trimlijntje mogelijk dat aan de hiel van de ra zit, rond de mast loopt naar een miniblokje aan de ra en dan naar beneden gaat: Hiermee is het zeil goed te trimmen. Zodra een plooi verschijnt vanaf de rakhoek naar de schoothoek trekt u het aan en de plooi verdwijnt. Het zeil wordt ook boller waarmee het loggertuig even goed als een gaffeltuig is te trimmen. Maar ook hier geldt dat het het tuig weer iets gecompliceerder maakt en dat wilden we juist niet.

- Frank van Zoest